Naastenliefde voor schellingen

Kruishoutem. Zeventiende eeuw. Na de godsdiensttroebelen en de afscheiding van de Noordelijke Verenigde Provinciën (1579) blijven de Zuidelijke Nederlanden onder Spaans bewind verweesd, leeggeroofd en verpauperd achter. Spaanse huurlingen slaan aan het muiten telkens ze hun soldij niet tijdig krijgen uitbetaald: “Niemand durft zich nog op weg te zetten omdat er benden soldaten rondzwerven van 40, 50 man, vaak zelfs met een officier aan het hoofd. Ze bestelen en plunderen al wat ze tegenkomen, doden de enen, kwetsen de anderen, en begaan gewelddadigheden die zelf de vijand niet heeft gedaan”, aldus een getuige in 1670.

Onze contreien worden bovendien van twee zijden bestookt. Uit het noorden door de Verenigde Provinciën. Uit het zuiden door Frankrijk, waar zonnekoning Louis Quatorze niets aan het toeval overlaat om Vlaanderen in te palmen. In de tweede helft van de zeventiende eeuw trekken zowat ieder jaar van mei tot oktober legers van 40.000 tot 70.000 man kriskras door Vlaanderen, Brabant en Henegouwen. Ze roven dorpen leeg. Huizen en hoeves laten ze uitgebrand achter. Directe confrontaties worden vermeden; om de twee à drie jaar raken ze slaags, maar zonder beslissende doorbraak. Belegeringen van steden volgen elkaar op, maar ook hier zonder de krijgskansen in een definitieve plooi te kunnen leggen.

In 1658 knagen de Franse legers onder leiding van generaal Condé aan de Spaanse strategische posities in Vlaanderen: Duinkerke, Veurne, Diksmuide, Ieper, Komen, Gavere, Oudenaarde, Geraardsbergen en Ninove vallen in Franse handen. In 1672 verklaart Louis XIV de oorlog aan de Hollanders, marcheert triomfantelijk Utrecht binnen, maar laat na onmiddellijk door te stoten naar Amsterdam. Willem III, prins van Oranje-Nassau, dringt de Fransen terug zuidwaarts. Op 11 augustus 1674 komt het bij het Henegouwse Seneffe tot een treffen tussen Franse en Spaans-Hollandse legereenheden. Met 10.000 doden aan Franse zijde en 15.000 bij de geallieerden op 10 uren tijd blijft ook hier de strijd onbeslist, waarna Willem III tot de belegering overgaat van Oudenaarde op 15 september 1674, deze maand 340 jaar geleden.

Het beleg van de stad brengt onrust onder de bevolking van de omliggende gemeenten, ook in Kruishoutem. Filips de Jauche verblijft net dan in zijn kasteel. Het is door zijn vader Karel in de jaren 1629-1634 gebouwd op de site van de hofstede van Ayshove. Het domein met park en hovingen bestrijkt ongeveer 15 hectaren. Ofschoon le Roi Soleil weinig goeds heeft betekend voor Vlaanderen, maakt hij voor Kruishoutem een uitzondering. Filips heeft van hem in september 1670 de titel van graaf gekregen. Tezelfdertijd heeft de gemeente de koninklijke toelating bekomen om een jaarlijkse foor te organiseren, wat de aanzet zal blijken te zijn voor haar latere naam en faam als Eiergemeente.

Ayshove

Filips de Jauche en de notabelen van Kruishoutem nemen maatregelen om tijdens de belegering van Oudenaarde de gemeente van oorlogsgevaar te vrijwaren. De hovingen en het park van Ayshove worden gebruikt als toevluchtsoord voor mensen en dieren. In het kasteel worden de waardevolle voorwerpen, koffers en pakketten gedeponeerd. De graaf contacteert sauvegarden, huurlingen die tegen betaling hun diensten als bewakings- en veiligheidsagenten aanbieden. De omstandigheid dat hij pro-Frankrijk is, weerhoudt de pragmatische edelman er niet van om beroep te doen op Hollanders, Spanjaarden en Duitsers. Hij geeft ze voeding, drank, munitie, kledij en schoenen. De wachten worden uitgezet op de kerktoren, aan het kasteel, op de Hoogmolen en aan de barrière (wellicht aan het begin van de actuele Waregemsesteenweg). De sergeanten en de politie van Kruishoutem moeten de huurlingen afhalen en begeleiden, wat gepaard gaat met aanzienlijke kosten voor ‘het schenken van bier en van gebrande wijn’.

Boeren, burgers en beesten zoeken van 12 tot 24 september 1674 hun toevlucht in Ayshove park. Dit blijkt uit de rekeningen van Gillis De Waele, de rentmeester van de graaf. Filips de Jauche neemt immers geen financieel risico en eist nauwgezet een vergoeding voor alle dieren en eigendommen die onder de hoede van de sauvegarden worden geplaatst: “Het schuilen van de landelijke bevolking op de burcht van de leenheer in tijden van onheil en oorlogsgevaar schijnt dus niet zuiver menslievend te zijn geweest. De burchtheer eist tol van zijn horigen”. Wie inderdaad denkt dat de Jauche - bewogen door caritatieve naastenliefde - zijn ondergeschikten en buren met open armen ‘gratis en voor niets’ ontvangt in zijn adellijk park, heeft het verkeerd voor. De graaf wil boter bij de vis, nl. 4 schellingen per dier en per dag verblijf. Hij neemt 149 paarden, 846 koeien, 96 runderen, 127 kalveren en 123 varkens, of in totaal 1.341 dieren in logies. De rekening is rap gemaakt: 1.341 dieren x 4 schellingen x 13 dagen = 69.732 schellingen, een aardige som, waarmee het park nadien ongetwijfeld tuinarchitecturaal-verantwoord kan worden heraangelegd.

De rekeningstaten van De Waele vermelden landbouwers uit Nokere, Wannegem-Lede, Ooike, Eine, Heurne en Machelen. De vlucht naar de bescherming van beveiligde vestingen moet trouwens een algemeen verspreid verschijnsel zijn geweest. De kastelen van Lozer en Nokere worden in september 1674 ook voor eenzelfde doel gebruikt, want de rentmeester somt diverse boeren op die op beide domeinen een veilig onderkomen hebben gevonden. Herlegem kasteel komt niet voor in het stuk. Dat van Wannegem-Lede begrijpelijkerwijze ook niet; het is dan immers nog niet gebouwd.

De belegering van Oudenaarde begint op 16 september 1674. 3.000 Fransen zitten als ratten in de val. Bij het nieuws van de komst van generaal Condé ondernemen de Hollandse en Spaanse troepen op 19 september een poging om de stad in te nemen, maar ze worden gecounterd door een tactische blunder van hun bevelhebber Souches die de veldartillerie terugtrekt naar Gent. Op 21 september wordt het beleg opgeheven en is het gevaar geweken. Ayshovepark te Kruishoutem kan worden ontruimd. Mensen en dieren kunnen terug naar huis en hofstede. Tot de Vrede van Utrecht in 1713 blijft het echter rommelen in de streek, met de Slag van Oudenaarde op 11 juli 1708 als absoluut dieptepunt.

Info o.a. bij: GOEMINNE Jozef, Bijdrage tot de geschiedenis van Kruishoutem, Bijdrage tot de geschiedenis der stad Deinze, 1955.