Wat zou Lozer geweest zijn zonder baron Adolphe ?

Waarschijnlijk weinig tot niets. Het was immers baron Adolphe della Faille d'Huysse (1798-1873) die de kiemen legde voor de ontwikkeling van de huidige dorpskern en zodoende de founding father is van de bloeiende levensgemeenschap die Lozer heden ten dage is.

Generaties della Faille gebruikten sinds 1654 het kasteel als zomerresidentie. Overwinteren deden ze in Gent, waar het knooppunt van hun sociale relaties en politieke belangen was. In de lommerrijke schaduw van Lozerbos waren er her en der wat verspreide boeredoeninkses. Op de Kaart Ferraris (1778 - twintig jaar vóór de geboorte van Adolphe) staan amper enkele huisjes getekend waar nu 1.400 mensen wonen. De contacten tussen het kasteel en de luttele omwonenden beperkten zich doorgaans tot het laten ophalen van de pacht en het eerbiedig afnemen van de pet bij het voorbijrijden van de adellijke landauer. Daar kwam verandering in vanaf 1842. De diep gelovige barones Marie-Julie van Rockolfing, de moeder van Adolphe, besloot tot de bouw van een kerk te Lozer. De voltooiing ervan maakte ze niet meer mee, ze overleed op 18 september 1844. Haar oudste zoon Adolphe nam het toezicht op de werkzaamheden over en zou later via diverse schenkingen kerk en onderwijs in Lozer stimuleren. Wie was die - intussen enigszins ondergesneeuwde figuur - die aldus mee aan de bakermat stond van Lozerdorp ?

Adolphe della Faille d'Huysse

Adolphe werd geboren te Gent op 14 januari 1798. Samen met zijn jongere broers en zus werd hij streng katholiek opgevoed. Over zijn jeugd is voor de rest weinig bekend. Waarschijnlijk liep hij met zijn broer Hippolyte school in het Aalsterse jezuïetencollege. Beiden zouden later een aardige politieke carrière uitbouwen. Een eerste keer lieten ze zich opmerken in 1828, toen ze in het Gentse dagblad 'Le Catholique des Pays-Bas' een petitie tekenden tegen het beleid van de Nederlandse koning Willem I. De della Failles waren in zowat alles de tegenpolen van de Nederlandse overheerser. Koning Willem I was Nederlandstalig, protestant en voorstander van vrijhandel. De broers della Faille behoorden tot de Franstalige katholieke plattelandsadel en zagen als grootgrondbezitters met lede ogen aan hoe de graan- en voedselprijzen werden gedrukt door de invoer van buitenlandse landbouwproducten. De Belgische onafhankelijkheid kwam in 1830 dan ook als een geschenk uit de hemel vallen. Vader François-Maximilien werd senator in 1832. Zijn zonen Adolphe en Hippolyte veroverden een zitje in de Kamer van Volksvertegenwoordigers in mei 1833.

De volgende verkiezingen van 9 juni 1835 werden gedomineerd door de kwestie over de aanstelling van burgemeesters. Een maand voordien nog had Adolphe gepleit voor het benoemingsrecht door Koning Leopold I. Als behoudsgezinde edelman was hij een voorstander van een sterk en stabiel koninklijk gezag. Een aanzienlijk deel van de burgerij en clerus opteerde evenwel voor de aanduiding van burgemeesters en schepenen via verkiezingen. De campagne verliep hevig. In het Oudenaardse gingen op verzoek van de broers della Faille priesters van huis tot huis 'montés sur de rudes chevaux de ferme - rijdend op wilde boerenpaarden'. Al dat hengstig gedraaf mocht niet baten. Adolphe en Hippolyte leden een pijnlijke nederlaag. Enkele weken voordien hadden ze bovendien hun vader verloren; François-Maximilien stierf te Brussel op 11 mei 1835 op 64-jarige leeftijd. De beide feiten tekenden het verdere leven van Adolphe. Nooit zou hij nog een nationale politieke loopbaan ambiëren.

Als nieuwe 'chef de famille' richtte hij zijn aandacht voortaan op de provinciale politiek én op Huise (waartoe Lozer toen behoorde). Bij de eerste provincieraadsverkiezingen van het onafhankelijke België op 26 september 1836 werd hij verkozen voor het kanton Cruyshautem met 104 stemmen, wat hem de tweede plaats opleverde na Théodore Van der Donckt (1795-1878), de latere burgemeester van Kruishoutem. Hij zou onafgebroken provincieraadslid blijven tot 1870. Als lid van de commissie voor erediensten, openbaar onderwijs, schone kunsten en liefdadigheid getuigde hij van principiële nauwgezetheid en gedegen dossierkennis. Politieke tegenstanders namen zijn flegma en ernst voor arrogantie: "Wat een ernstige en dromerige indruk ! De man heeft duidelijk de gave van het woord. Zijn antagonist C. de Smedt mag hem dan nog wel dikwijls het vuur aan de schenen leggen, meestal trouwens al te geëxalteerd, niets kan A. della Faille uit het lood slaan", aldus een getuigenis anno 1839.

De sessies van de provincieraad duurden over het algemeen maar een maand. Er kwam tijd vrij voor Adolphe. Die spendeerde hij nuttig. Op 23 juni 1837 trad hij in het huwelijk met Adelaïde Marie Colette Ghislène de Kerchove de Ter Elst (1807-1880), een dochter uit een vooraanstaande Gentse familie. Enkele dagen later kwam hem notarieel het kasteel te Lozer met park, vijvers en drie boerderijen toe, te samen goed voor 42 hectaren. Het echtpaar bleef in Gent wonen, terwijl moeder Marie-Julie op het kasteel verbleef. Intussen haalde Adolphe de banden met Lozer aan. In 1839 werd hij gemeenteraadslid van Huise. Na het overlijden van zijn moeder in 1844 verhuisde hij naar het kasteel. Hij werd de eerste della Faille die van Lozer zijn permanente verblijfplaats maakte. Bewust van zijn sociale rol als kasteelheer ging hij waken over het geestelijke en materiële welzijn van de Lozernaars. In 1846 werd hij burgemeester van Huise. Net dan verkeerde Vlaanderen in crisis door opeenvolgende misoogsten van rogge en aardappelen. Pachtprijzen stegen. Inkomsten daalden. Hongersnood, epidemieën (tyfus van 1846 tot 1848, cholera van 1848 tot 1851) en hoge sterftecijfers waren de tragische gevolgen. In Huise en Lozer poogde baron Adolphe via het ultramontaans-caritatieve Sint-Vincentius à Paulogenootschap de nood te lenigen door het gratis uitdelen van graan. Op 26 juni 1855 schonk hij de kerk en pastorie van Lozer aan de plaatselijke kerkfabriek. In 1857 doneerde hij 28 aren grond voor de aanleg van het kerkhof. In 1867 werd een jongensschool gebouwd op een perceel, alweer geschonken door de baron. Drie jaar voordien, op 5 juli 1864 was hij voorzitter geworden van de Oost-Vlaamse provincieraad.

Adolphe voelde zijn einde naderen. In 1872 kocht hij een stuk grond op het kerkhof te Lozer. Hij liet er een grafkelder graven en een kapel oprichten. Na een lange, slepende ziekte overleed hij in zijn kasteel op 31 augustus 1873, deze zomer 140 jaar geleden.

Zie ook: