We meenen nochtans dat een haas de waarde niet heeft van een menschenleven

’t Was ferm koud ! Tijdens de nacht had het licht gevroren en gesneeuwd. Slaapdronken slenterde de boer achter het gespan van zijn twee ossen. Veel liever had hij nog een zatte kaffie gedronken bij de buizestoove in plaats van in het halfduister mest te moeten gaan uitvoeren. Hij wou dat het al avond was. Dan zou hij de overgang van oud naar nieuw vieren en ne goen dreupel drinken. Moa …wa woa da miljèrdedzju ? De ossen hadden halt gehouden. Ondanks enkele krachtige ju’s bleven ze stokstijf staan. De man kreeg het op de heupen; met een ferme vloek beende hij voorbij zijn beesten. Toen zag hij het. Op de akker lag een lichaam, roerloos, ruggelings en met de armen gespreid. Een jonge kerel. Verwondingen aan het gezicht. Bloed. Niet te herkennen. Dood. Vermoord. Wat verder, ne lichtbak mee carbure. De boer zette het op een lopen.

Omstreeks 09u30’ in de morgen van zaterdag 31 december 1932 - eind deze maand tachtig jaar geleden - vindt de Nokerse landbouwer August Goeminne (1901-1946) bij het bemesten van de akkers tussen het klooster en Villa Tsjoen, ten zuiden van het Kordaelbos een lijk. Onmiddellijk snelt hij naar buurvrouw Rosa Tsjoen (1893-1978), rentmeesteres van de familie Ruffo de Bonneval. Ze herkent de aflijvige; het is dorpsgenoot Aimé Lefevre (zie foto links), 29 jaar, gehuwd, vader van een zoontje van 5 jaar, landarbeider, kopoindewerker (seizoenarbeider) en pensejager (stroper). Bijnaam: ‘de witten Gooris’. Juffrouw Rosa haalt er de veldwachter bij. Die telefoneert naar de gendarmerie van Kruishoutem, die op haar beurt het parket te Gent inschakelt. Om 14u00 wordt het lichaam voor de lijkschouwing naar het klooster overgebracht. Aimé is bezweken aan verwondingen door loodkorrels in het achterhoofd, schouder, hals en nek. Intussen zijn ‘honderde menschen’ samengestroomd bij de plek des onheils. Een moord, dat maak je tenslotte niet alle dagen mee in Nokere ! Een vorige dateert al van 1878, aan café ‘De Slunse’, nota bene in vogelvlucht amper tweehonderd meter verder oostwaarts (zie: Bier is bitter, bier is best’, Kruishoutemse Kroniek april 2009).

Stropers stropersdrama

Lang moeten de Gentse speurneuzen niet snuffelen. Die voormiddag heeft Julius Van Autrijve (1878-1946) (zie foto rechts), bijnaam ‘de zwarten Autrijve’, een landbouwer uit de Duffelstraat, zich gemeld bij de lokale arm der wet. Hij heeft één en ander te vertellen over wat er die nacht is gebeurd. Hij was aan de kaart geraakt met Aimé Lefevre, net als hij een fervente stroper. Ze besloten hun kans te wagen om een haasje te verschalken. Niets liet vermoeden dat ze zelf opgejaagd wild zouden worden … Aimé ging voorop met de lichtbak, Jules volgde op enkele stappen met een geweer. Op de kouters bij het Kordaelbos klonk plots een stem in het duister. Ze waren betrapt ! In paniek sloeg Aimé op de vlucht. Ook Jules koos het hazenpad. Geweerschoten klonken in de nacht. De loodkorrels vlogen Jules om de oren, hij voelde hoe de aardkluiten door de inslagen in de grond tegen zijn broekspijpen opspatten. Hij kon ontkomen. Met vallen en opstaan, en met enkele loodkorrels in zijn kloef en in zijn hiel. Eerst de volgende dag hoorde hij dat zijn spitsbroeder het niet had overleefd. Met zijn lichtbak was Aimé inderdaad een makkelijke prooi geweest …

Door zijn verklaring komen twee plaatselijke jachtwachters in het vizier. De ene, Hendrik Heddebaut, is de boswachter van graaf Ruffo de Bonneval en woont boven de remise van villa Tsjoen, in de directe omgeving van de moord. De andere, Hendrik Matthijs, is garde chasse van burgemeester De Witte en betrekt het conciërgehuis van het kasteel (Casier). Beiden zijn niet geliefd, want beiden vertegenwoordigen ze het establishment. Terwijl de hoge heren in velden en beemden jagen op al wat beweegt, ontnemen hun boswachters met het geweer in aanslag de kleine man zijn pleziertje van het strikken van een konijntje of het neerleggen van een haasje. Zo redeneert Jan met de pet in 1932 en zo redeneert hij ook veertig jaar later als in 1972 de vogelvangst met netten wordt verboden. Ook dan gaan stemmen op die wijzen op het onderscheid tussen de gereglementeerde, maar toegelaten jacht van de gegoede burgerij en het verbod van de vogelvangst, de hobby van de gewone man.

De toon wordt gezet in de plaatselijke kranten. De populaire volkszanger Tamboer dweilt de Vlaamse markten af met een tendentieus lied ‘Het bloedig wildstroopersdrama te Nokere’. Het feit dat Aimé Lefevre in de rug is geschoten, is voor de vox populi een bezwarend element. De ’Gazet van Audenaerde’ heeft het in zijn editie van 15 januari 1933 over ‘een laffe moord’: ‘Het onderzoek heeft uitgewezen dat één der twee jachtwachters moedwillig Lefevre heeft geschoten in den rug. Toen men de 2 jachtwachters te Nokere bracht om den loop der gebeurtenissen samen te stellen, werden de 2 jachtwachters onthaald op de kreten van “weg met de moordenaars”. De politie had alle moeite om de verbolgen menigte in bedwang te houden’. Komt erbij dat de twee opzieners niet meteen tot bekentenissen overgaan. Ze beweren dat de pensjagers eerst op hen hebben geschoten. Na een pittig verhoor gaan ze door de knieën. Matthijs bekent. Hij heeft Lefevre afgeknald. Heddebaut heeft naar Van Autrijve gevuurd.

Op dinsdag 4 april 1933 komt de zaak voor het Gentse Hof van Assisen. Hendrik Matthijs wordt veroordeeld ‘voor slagen en kwetsuren die den dood hebben veroorzaakt, zonder inzicht van te dooden, tot 4 jaar gevang’ en tot een schadevergoeding van 44.565 frank aan weduwe Lefevre. Op 8 januari 1933 had de journalist van de ‘Gazet van Audenaerde’ in een helder moment geschreven: ‘De 2 jachtwachters waren op hun ronde in hun uitoefening van hun ambt. Lefevre en Van Autrijve waren aan ‘t “pensen”. De jachtwachters moesten ingrijpen. We meenen nochtans dat een haas de waarde niet heeft van een menschenleven.’

stropersdrama goeminne

August Goeminne toont in januari 1933 waar hij het zielloze lichaam van Aimé Lefevre vond. Rechts Jules Van Autrijve. Links de 3-jarige Roger Goeminne. Op de achtergrond Villa Tsjoen, twintig jaar voordien gebouwd. 

Villa Tsjoen

Villa Tsjoen in maart 2008, gefotografeerd vanop de kouter (nu weide) waar Aimé Lefevre 75 jaar voordien zijn einde vond. In het midden verscholen achter de bomen: hoeve Goeminne. De boerderij geeft oostwaarts uit op de Lindeknokstraat, waar in 1878 bij café ‘De Slunse’ ook al een moord was gepleegd om een glas bier.

Voor het boeiende relaas hoe dit verhaal tot Hultheim kwam, zie: KINDS Lieven, Het bloedig wildstroopersdrama te Nokere, jaarboek 2008, p. 202-213, en jaarboek 2011, p. 164-170.