Waer is myn wyf, hier syn soo veel papen.

Het was me een zootje ongeregeld waarmee bisschop Antonius Triest (1577-1657) te maken had, toen hij tussen 1624 en 1652 regelmatig de parochies van zijn bisdom bezocht. Het waren de tijden van de Contrareformatie. De Katholieke Kerk scherpte de controle op het Ware Geloof aan, als reactie op de religieuze revolte van het protestantisme dat in de decennia voordien de kop had opgestoken. 

Antonius-Triest

Door de Kerk werd alle zinnelijkheid als zonde beschouwd. Tijdens zijn visitaties, waarbij hij regelmatig Kruishoutem, Nokere, Wannegem en Lede aandeed, spitste Triest zich dan ook toe op een grondig moraliteitsonderzoek van clerus en bevolking. Zo ging zijn aandacht steevast naar de meid van de pastoor, die hij meestal te jong en te verleidelijk vond. Antonius had kennelijk een kennersoog.

Ook het gedrag van de parochianen was een punt van aandacht. Overspel, echtscheiding en prostitutie werden genoteerd. Enkele voorbeelden: ‘Kruishoutem 25 juni 1634. Alle inwoners, zowat 1.200, beantwoorden aan de kerkelijke wetten. Jacoba Mauwens heeft na haar echtscheiding een buitenechtelijk kind gebaard. Voor de rest niets dan goeds gehoord’. ‘Nokere 25 juni 1634. Er zijn 339 ingezetenen, die allen voldoen (aan de kerkelijke plichten). Joannes Jobbeke heeft zijn meid zwanger gemaakt’. ‘Kruishoutem 6 mei 1652. Er zijn hier 1.530 volgzame communicanten. Petronella van Saere, weduwe van Adriaan Rogge, en Egidius Herman hebben zich gebeterd. Adriana Bortels leeft wegens overspel gescheiden van haar man, die ronddwaalt en nauwelijks de goddelijke diensten bijwoont. Jacob Hollant leeft wegens overspel op dezelfde wijze. Men kent niet genoeg degenen die hier komen wonen’ (toen ook al !).

Openbare dronkenschap werd eveneens opgemerkt. Hierbij beperkte Triest zich dan nog tot het kerkpersoneel en de notabelen. Zij moesten immers het goede voorbeeld geven, maar faalden vaak jammerlijk. Het aantal pastoors, onderpastoors, kapelaans, kanunniken, kosters en schoolmeesters dat aan de fles zat, was inderdaad indrukwekkend. In 1625 was bv. de kapelaan van Kruishoutem een notoir drankorgel, ‘verslaafd aan de drank, aan wijn en tabak, waardoor hij dronken is, onbeschoft en in woord en daad onbetamelijk’. De houding van Triest was treffend; hij vermaande en ging zo nodig over tot ontslag. In 1628 had Kruishoutem een nieuwe kapelaan.

Ook tegen dames met een bedenkelijke reputatie trad Triest driest op. Hij verbande ze uit de parochie, zoals te Wannegem in 1652. Een mejuffer had het daar dan ook al te bont gemaakt: ‘250 gewillige communicanten, uitgenomen een publieke lichtekooi, Joanna Tavernir, die reeds voor de vierde maal van een onbekende vader een kind baarde en bij haar vader-herbergier inwoont. Ik heb aan de baljuw opgedragen ze te verwijderen. Hij heeft beloofd daarvoor te zullen zorgen’. In 1625 had hij er al eentje in de mot gehad in het naburige Lede: ‘Naar verluidt, zou Arina, een prostituee uit Huise naar hier zijn komen wonen. Er is in deze parochie een vedelspeler die zelden de goddelijke diensten bijwoont, omdat hij in meerdere parochies wordt gevraagd’. Ook muzikanten lagen bij de bisschop niet in de bovenste schuif. 

Ongetwijfeld werd de asceet Triest somtijds moedeloos, zeg maar triest bij het aanschouwen van de zedenloosheid onder zijn tijdgenoten. Voor hem behoorden ze moreel en materieel ongetwijfeld tot de zelfkant van de maatschappij; onwetend, schimmig en onverbeterbaar. In 1640 werd hem te Kruishoutem een dergelijk specimen gesignaleerd dat liederlijkheid bovendien schaamteloos combineerde met ketterij: ‘Hier woont Francies van Damme, een vrijpostige en erg verdachte man, zo blijkt. Hij discussieert over godsdienst met een pater minderbroeder, genaamd Felix, die in Oudenaarde verblijft, en leeft in een soort genootschap in Wannegem, waar hij als schrijver fungeert, lijkdiensten verzorgt, de kerkelijke ceremonies uitlacht en zijn toehoorders met zijn urine in plaats van met wijwater besprenkelt.” Dergelijke geuzenpraktijken waren er zwaar over ! De bisschop spoedde zich dezelfde dag nog naar Wannegem. Wat hij daar hoorde, deed zijn oren tuiten: ‘Wat te Kruishoutem reeds werd vermeld over Francies van Damme, werd hier door de pastoor bevestigd. Die Francies houdt zich bezig met het vervoer van bier op feestdagen zonder daarvoor enig respect te betonen. Allerheiligen 1634 bracht hij door samen met de dorpsheer, die ook al geen te goede faam geniet omdat deze altijd - zelfs tijdens de catechismus - wordt aangetroffen in herbergen. Hij vertelde toen: “Wat de godsdienst betreft, dat laat me koud, of ik nu hier ben of in Holland. Daar ben ik zelfs liever, omdat ik er kan doen wat ik wil”. De gezegde Francies sprak op eenzelfde, bijna misprijzende manier over de priesters en riep: “Waer is myn wyf, hier syn soo veel papen”. Blijkbaar was de urine sprenkelende geus van Wannegem een dermate hopeloos geval dat bisschop Triest niet eens de moeite meer nam om hem op het rechte pad te houden.

Maar toch … ook in die troebele 17de eeuw was er in de hemel meer vreugde over één berouwvolle zondaar dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hadden. Sommige illustere dorpsfiguren stonden jarenlang op de zwarte lijst van Triest, maar hij gaf ze niet op.  Livinus de Jaghere uit Lede was er zo eentje. In 1628 werd hij gekwalificeerd als ‘een speelzuchtige en losbandige vent’. In 1642 mocht hij het na veertien jaren geslemp persoonlijk gaan uitleggen bij de bisschop. Nadien kwam zijn naam niet meer voor in de visitatieverslagen. Ongetwijfeld had Lieven na de beate bisschoppelijke babbel het Licht gezien.

Triest spiedde ook systematisch naar duiveluitdrijvers, heksen en tovenaars. Deze waren erger dan ‘gewone’ zondaars; ze vormden immers een direct gevaar voor geloof en kerk. Jacob Lamont, de exorcist van Lozer, kwam vanaf 1647 in het vizier van de bisschop: ‘Soms komt naar deze parochie (Kruishoutem) een valse duiveluitdrijver, Jacob Lamont, afkomstig van Huise uit de wijk Loser Meulen. De pastoor aldaar zou op de hoogte zijn.’ Te Nokere maakte hij in de zomer van 1634 notitie van een toverkol: ‘Er huist hier gewoonlijk een heks, Clara de Vos; ze trok van hier naar Oudenaarde en tenslotte naar Gent.’ Vijf maanden later werd Clara na een schijnproces gewurgd en verbrand. Toeval ?

Zie: DEVOS Patrick, De Contrareformatie te velde: bisschop Antoon Triest visiteert Kruishoutem (1624-1652), jaarboek Hultheim 2011, p. 95-114.