HET ZESDE DER TIEN GEBODEN

“Dood niet, geef geen ergernis”. Het is het Zesde der Tien Geboden. Maar Kaën had al uit jaloersheid zijn broer Abel gedood en sindsdien kwam het niet meer goed. Afgunst, armoe, drankzucht, liefdesperikelen, machts- en geldhonger, waanzin; het zijn allemaal motieven en omstandigheden die de mens drijven tot de ultieme misdaad. Onze voorouders waren geen uitzondering op de regel.

drank in de man

 

Als de drank is in de man …

Olsene Kermis was te mijden voor wie gemakkelijk naar het glas en nadien naar het mes greep. Kruishoutemnaren die op de terugkeer ladderzat van café naar café laveerden, raakten slaags voor een niemendal en trokken messen. Hultheim-auteur Raf Dhondt vond een eerste ‘Olsene Kermis moord’ in 1873. Een tweede dateert van 1906: “Het was Zondag kermis te Olsene. Rond middernacht keerden drie personen van Kruishoutem naar huis terug. Het waren de genaamden Jozef Putman, Jules Goethals en Adolf De Sloovere. Zij bleven haperen in de herberg De Truweel, nabij de grensscheiding van Olsene en Kruishoutem. Alle drie waren erg bedronken. Buiten kregen Goethals en De Sloovere twist. Een gevecht ontstond nabij de woning van Henri Gallier, jachtwachter. Beide vechters rolden in eene gracht. Wat daar gebeurde weet men niet juist. Toen het gevecht geëindigd was, trok Goethals met Putman verder. Goethals legde zich op eenen graskant te slapen. Daar De Sloovere niet afkwam, keerde Putman op zijne stappen  terug. Hij vond De Sloovere onbeweeglijk in den gracht liggen. Hij schudde er aan, maar kreeg geen antwoord. Putman klopte den jachtwachter Callier op. Beide mannen gingen tot bij De Sloovere en stelden vast dat hij dood was. De ongelukkige had twee kleine messteken in den keelput gekregen en had zich doodgebloed. (…) (Men) ging de gendarmen verwittigen. Deze begaven zich ten huize van Goethals, die van den graskant opgestaan was en zich te bed had begeven. Er kleefde veel bloed aan zijne kleederen. Een zijner oogen was erg gezwollen. In zijne zakken vond men een bebloed pennemes. De vermoedelijke dader werd Maandag rond 6 uren ’s morgends , naar het gemeentegevang van Olsene gebracht. Hij heeft bekend gevochten te hebben. Dader en slachtoffer zijn beiden ongehuwd en wonen te Kruishoutem. Goethals is 28 jaar oud. Hij is een werkman, die ’s zomers in Frankrijk gaat werken. Hij is een slecht befaamde kerel. Het slachtoffer is een twintigtal jaren oud. Hij had zes broeders en was van onberispelijk gedrag. Dit drama, dat het leven een eenen mensch heeft gekost, is weeral op rekening te schrijven van de drank.” (Den denderbode - 27 september 1906).

Inbraak en moord

Alleenstaande vrouwen werden geviseerd door inbrekers die het hadden gemunt op de weinige rijkdom die ze in huis hadden. Weerstand werd in de kiem gesmoord, soms met de dood als gevolg, zoals te Nokere in 1920: “Een misdaad te Nokere. Een oude vrouw door bandieten vermoord. Diefstal is de drijfveer der misdaad. Zondag morgend werd de rustige gemeente Nokere door de ontdekking eener gruwelijke misdaad in opschudding gebracht. Dorpelingen die van de eerste mis kwamen waren zeer verwonderd, de vensterluiken van het huis, bewoond door de 71 jarige weduwe Everaert nog gesloten te vinden. De weduwe Everaert woont alleen, daar haar eenige dochter gehuwd is en te Kruishoutem woont en een jongeling der familie, die zij als kind aangenomen had, op dit oogenblik in Frankrijk werkt. Zoo kregen de dorpelingen onmiddellijk vermoedens, dat er iets niet in den haak was. Langs de nevenstaande woning geraakte men op het achterhof van de weduwe Everaert, daar werd vastgesteld, dat eene ruit van het venster van de slaapkamer der vrouw uitgeslagen was. Door de opening zag men een akelig schouwspel. De oude vrouw lag dood op haar bed, hals en aangezicht zwart en blauw uitgeslagen, wat scheen aan te duiden dat zij door verwurging om het leven was gebracht. (…) In de kamer van het slachtoffer vond men nevens het bed een dikke groene stok, die, aan de afschelferingen te zien, moet gediend hebben om de ruit stuk te slaan en vervolgens om de oude vrouw die zich op het gerucht zal overeind gezet hebben, met slagen op het hoofd te bedwelmen. De moordenaars hebben vervolgens hun slachtoffer door verwurging afgemaakt. De wekker die nevens het bed der vrouw hing, lag op den vloer en was stilgevallen op kwart na middernacht, zoodat men veronderstelt dat de misdaad omstreeks dat uur moet gepleegd zijn. In het huis was alles opengebroken en doorzocht, doch een spaarboekje alsook eene som van 850 franken werden nog in eene kas onaangeroerd gevonden. Of en hoeveel geld er gestolen is kan men niet met zekerheid zeggen. (…) Het onderzoek door de policie van Nokere aangevangen werd door de gendarmen van Kruishoutem, alsook door deze van Oudenaarde die met den luitenant ter plaats kwamen, voortgezet. (...) Een persoon ook in Frankrijk werkende, die teruggekeerd was om Zaterdag aan een bruiloftsfeest deel te nemen, werd langdurig ondervraagd. (..)” (De Volksstem - 10 maart 1920).

Twee jaar later werd weer een alleenstaande vrouw vermoord, nu te Kruishoutem, en dan nog wel in de schaduw van de Sint-Eligiuskerk: “Gruwelijke moord te Kruishoutem. In een straatje dicht bij de kerk te Kruishoutem woont de wed. Simaye 61 jaren, herbergierster. De vrouw woont daar gansch alleen. Maandag morgend was een meisje, dat naar Kruishoutem in de fabriek gaat werken, en gewoon  is haar rijwiel bij vrouw Simaye in bewaring te stellen, verwonderd nog alles gesloten te vinden. Zij verwittigde de geburen die in de woning drongen, alwaar een vreeselijk schouwspel hun oogen trof. De oude vrouw lag levenloos uitgestrekt op den trap die naar de voutkamer leidt. Het hoofd was ingeslagen en het bloed was ten alle kanten op de muren gespat. Seffens werd de gendarmerie op de hoogte gebracht van de misdaad en stelde een onderzoek in. In de woning der weduwe Simaye werd er geene verwaring bestatigd; niets was overhoop geworpen. Men kon dan ook niet met zekerheid zeggen welke de drijfveer is geweest der misdaad.” (De Volksstem - 21 juni 1922).

Zie ook: DHONDT Raf, Bloed op den IJzerberg, jaarboek Hultheim 2015, p.144-156 en DE BORGGRAEVE Edwin, Messentrekkers en handbijlzwaaiers aan de Karreweg (1891), jaarboek Hultheim 2016, p.247.