Op 11 november herdenken we de wapenstilstand van de Eerste Wereldoorlog. WO I eiste een zware dodentol, zowat 8,5 miljoen mensen, burgers en soldaten. Maar in 1918, het laatste oorlogsjaar, kwam er een killer  bij die nog veel harder toesloeg: de Spaanse griep.

Amerikaans gezin beschermd tegen spaanse griep 1918

Een Amerikaans gezin beschermt zich in 1918 tegen de Spaanse griep met mondkapjes. Zelfs de kat draagt een masker (copyright Nederlands Dagblad).

Het virus arriveerde in golven. De eerste in de zomer van 1918 maakte weinig slachtoffers. De tweede in het najaar was dramatischer. Het begon met hoge koorts, hoesten, spier- en keelpijn, gevolgd door extreme moeheid en flauwten. Men verloor zoveel energie dat men niet meer kon eten en drinken. De ademhaling werd moeilijker en binnen enkele dagen trad de dood in. De pandemie trof vooral jonge volwassenen. Toen de oorlog op 11 november 1918 eindigde en soldaten naar hun land terugkeerden, werden ze overal feestelijk onthaald. Door deze wereldwijde massabijeenkomsten verspreidde het virus zich razendsnel. De meest voorzichtige schattingen komen op 20 tot 40 miljoen doden.

Er bestaan minstens drie theorieën over de oorsprong van de epidemie. Sommige onderzoekers zoeken de oorzaak in een gemuteerd varkensvirus uit - jawel - China, dat via Chinese spoorwegarbeiders in de VS belandde. Een tweede theorie is dat een vogelvirus spontaan muteerde in Fort Riley, Kansas. In dit fort fokte men kippen en varkens voor eigen gebruik. Een kok zou besmet zijn geraakt door de aandoening, die van kippen via varkens naar de mens werd overgedragen. Door mutatie ging de besmetting vervolgens van mens naar mens. Volgens een derde theorie zou de griep voor het eerst zijn waargenomen in een Brits legerhospitaal in het Noord-Franse Étaples, waar artsen einde 1916 een uitbraak van 'etterige bronchitis' constateerden.

Pas in het voorjaar van 1920 verdween de pandemie even mysterieus als ze gekomen was. Een vaccin werd niet gevonden.