Journalisten zijn sensatiezoekers. Maar, als ze scoren met een catchy story, met een sappige anekdote, dan is dat omdat de lezers wel pap lusten van grote ongelukken en kleine tegenslagen … bij anderen. Dat is nu zo, dat was vroeger niet anders. Een bloemlezing uit de pers van vroeger:

Overdaad schaadt
In 1906 mocht de plaatselijke correspondent van Het Handelsblad met het schaamrood op de wangen een bericht, waarin hij drie Nokeraars al bijna het graf had ingeschreven, de dag nadien rechtzetten. Eerst klonk het nog als volgt: “GENT, 20 Juli - Te Nokere had een boer zijne werklieden te eten gegeven van den kop van een versch geslacht varken; die kop was echter gekookt in eene nieuwe vertinde marmiet. In den namiddag werden al die er van gegeten hadden, ziek en drie hunner zoo erg, dat men hen heeft moeten berechten.” (Het Handelsblad - 20.07.1906). Een dag later dan weer in dezelfde krant: “Het geval der vergiftiging van landbouwwerklieden te Nokere is veel overdreven. Niemand van de werklieden is moeten berecht geworden. Daarenboven doet men opmerken dat er 13 werklieden van 20 onwel zijn geworden na 3 ure namiddag, nadat zij bier gedronken hadden; dat de geneesheeren het ongeval toeschrijven aan te veel vet en het drinken van bier dat min of meer verzomerd is; dat Maandag al de zieken hersteld waren. Zooveel te beter.” (Het Handelsblad - 21.07.1906).

De moraal van het verhaal was hoe dan ook dat te veel eten en drinken niet bevorderlijk is voor de gezondheid. Als men dan nog gulzig gaat schrokken en schransen, kan het zelfs faliekant aflopen, zoals bleek te Kruishoutem vier jaren later: “Verslikt - De landbouwer Ivo De Waele, bijgenaamd “Schaperken” verslikte zich aan een stuk vleesch en toen men hem ter hulp kwam, had hij opgehouden te leven.” (De Volksstem - 08.09.1910). De journalist wist niet te vertellen of het stuk vleesch waarin Schaperken zich had verslikt al dan niet van een schaap afkomstig was.

Kiekens en keuns
Te veel eten, was voor de meerderheid van onze voorouders trouwens een ongekende luxe. Met een lege maag en slap in de lenden gingen ze door het leven. Ze kwamen de dag door op een rantsoen van in d’andzjoens gebakken petadden. Een mals kippetje of een konijn met pruimen was hoogstens voor de feestdagen. Ofwel kweekte men het diertje zelf, of men ging het halen waar het zat: “CRUYSHAUTEM - Dieven - Eergisteren nacht zijn dieven gedrongen in de stalling van den voerman Germonprez en hebben er al de kiekens gestolen. Toen zijn zij bij M. Talpe binnengebroken en hebben er insgelijks de kiekens medegenomen.” (De Volksstem - 14.12.1911). De timing was goed gekozen; waarschijnlijk belandde de buit op menige eindejaarsdis. Enige maanden later was het weer prijs: “CRUYSHAUTEM - Dieven - Verleden nacht zijn dieven binnengedrongen bij Aug. Maube en hebben er al de konijnen gestolen.” (De Volksstem - 23.03.1912). Waren de dieven deze keer op zoek naar de Paashaas? Pasen viel dat jaar immers een kleine 3 weken later, op 7 april.

Bijna verdronken
Of de man te weinig gegeten, dan wel iets te veel gedronken had, valt na al die jaren niet meer te verifiëren, maar het noodlot had hij in elk geval wel getart: “Bijna van koude gestorven - Zaterdag avond rond 8 ure, kwam Emiel Colpaert, bijgenaamd ‘Tjobbel’, slachter, van Wanneghem-Lede huiswaarts; gekomen dicht bij zijne woning, op het grondgebied van Kruishoutem, sukkelde Colpaert, door de duisternis misleid, in een gracht vol water. Gelukkiglijk werd hij korten tijd nadien door geburen uit zijnen neteligen toestand verlost. Men was verplicht dadelijk een geneesheer te halen; meer dan twee uren heeft men aan het slachtoffer moeten werken om het tot leven terug te roepen.” (De Volksstem - 29.03.1922).
De verdrinkingsdood dreigde trouwens niet alleen in beken en sloten, zoals blijkt uit een persverslag van vijftien jaar voordien: “Een kleine, maar moedige redder - Over eenige dagen was het kind van Jozef de Stoop, van Nokere Lindenhoek, voor een oogenblik aan de waakzaamheid zijner moeder ontsnapt en in den mestput gevallen, die wel 2 meters diep is en vol water stond. Zijn 7jarig broertje, de kleine Julien De Stoop, werd door de moeder gelast te gaan zien waar het kind was, en zag de muts van zijn zustertje boven water uitsteken. Zonder een oogenblik te aarzelen kroop hij in het water zoover hij kon, en gelukte er eindelijk in de muts vast te krijgen, waarmede hij zijn zustertje naar hem trok en bovenhaalde. Het kind dat reeds geene teekens van leven meer gaf, droeg hij in zijne armen in huis, waar de vader seffens de kunstmatige ademhaling toepaste, terwijl hij geneeskundige hulp inriep waardoor de redding nu om zoo te zeggen voltrokken is. De koelbloedige en vastberaden handelswijze van een kind van 7 jaren, in een oogenblik dat de minste aarzeling den dood voor gevolg heeft, verdient ongetwijfeld eene belooning en ’t schijnt dat het gemeentebestuur zich ten dien einde de zaak aantrekt.” (Den denderbode - 14.03.1907).

Generatieconflict
Hoe schril in tegenstrijd hiermee is het volgende bericht uit Wannegem, waar familiale mantelzorg een kleine halve eeuw voordien een iets ruwere invulling had gekregen: “Den 23 dezer heeft er te Wannegem-Lede een gevecht plaets gehad tusschen eenen landbouwer en zynen zoon. Zy hebben zich wederzyds slagen toegebragt, die hen beyde noodzaken te bed te liggen.” (Den denderbode - 02.10.1859).

En hedde gij meubelen en hedde gij huisgerief, dan moogt ge trouwen met uw lief, gij ouwe zot!

trouwen

Omdat het niet allemaal kommer en kwel hoeft te zijn, eindigen we deze graai in persknipsels van weleer op een positieve noot: “Zonderling huwelijk - Verleden week is te Kruishoutem een merkwaardig huwelijk ingezegend. Constant De Kloef, oud 77 jaar, is het bootje voor de derde maal ingestapt met eenen lieven engel van 84 jaar, bijgenaamd ‘Meetje Amerika’, omdat zij eertijds in dit werelddeel heeft verbleven. De liefde is toch blind!” (Den denderbode - 03.04.1892). Of het huwelijk werd gezegend met een rijk nageslacht, kon niet worden achterhaald.