Welkom!

… op de website van Hultheim, de heem- en geschiedkundige kring van Kruishoutem. Hier vindt u heemkundige en historische updates over Kruishoutem, de Marolle, Lozer, Nokere, Wannegem en Lede. De laatste info staat bovenaan, voor de oudere verslagjes scrolt u naar beneden.

 

Danilith Nokere Koerse is dit jaar aan haar 76ste editie toe. Op 23 april 1947 - 75 jaar geleden - werd Kruisems Mooiste - toen nog onder de naam Grote Prijs Jules Lowie - voor de vierde keer gereden met 132 profs aan de start.

Berten Sercu 1947

Berten Sercu na zijn overwinning in Kruisems Mooiste 1947 (copyright website Nokere Koerse)

Winnaar werd Albert ‘Berten’ Sercu (1918-1978), vader van piste- en zesdaagsenkampioen Patrick Sercu (1944-2019). Berten was prof van 1939 tot 1952 en zegevierde 32 keer, waaronder in 1945 in maar liefst 23 kermiskoersen. Kwalitatief zou 1947 zijn topjaar worden met overwinningen in Nokere Koerse, Omloop Het Volk, Brussel-Izegem, Dwars door Vlaanderen en twee ritten in de Ronde van België. Sercu senior staat in de wielerannalen geboekstaafd als een ‘kampioen zonder topzege’. Hij drukte zijn stempel op tal van topwedstrijden maar kon het zelden afmaken: 5de in Parijs-Roubaix 1943 (waarin Nokeraar Jules Lowie 2de werd na Marcel Kint), 2de in de Ronde van Vlaanderen van 1943 en 1945, 2de in het WK op de weg in 1947, 2de in Parijs Brussel in 1948.

In de herfst van zijn carrière legde vader Sercu zich toe op het pistewerk, een branche waarin hij later zijn zoon Patrick met succes zou lanceren. In 1951 werd Berten met Valère Ollivier Europees Kampioen ploegkoers op de baan.

'Berten' Sercu: een waardige naam op een waardig palmares van een waardige wedstrijd.

Ruzie 1882

Zeker als die twee aan het twisten gaan. Boer De Groote uit Cruishoutem had het 140 jaar geleden niet zo begrepen. Met (uiteraard) noodlottig gevolg: “Ziehier eenige bijzonderheden over den moord, zondag te Cruishoutem gepleegd: de genaamde Desideer Veyns, landbouwer, was ’s nachts uit eene herberg gekomen met zekeren Adolf Creteur, oud 24 jaar. Beiden waren dronken; onderweg kregen ze ruzie en werden handgemeen. De landbouwer Henri De Groote, is op het geroep van Creteur buiten gekomen, en schijnt dan aan het vechten gegaan te zijn met Veyns. Creteur heeft in een zijner vingers een diepe wonde bekomen; Veyns bekwam twee wonden aan het hoofd, die zijnen dood voor gevolg gehad hebben. Die wonden zijn toegebracht bijmiddel van een zeer snijdend werktuig, dat niet terug gevonden is.” (Het Land van Aelst - 5 maart 1882).

Baron Jean Casier Kasteel Nokere  Graf Jean Baron Casier

Foto links: archief Hultheim - copyright niet gekend, foto rechts: Edwin De Borggraeve

Baron Jean (1908-2008) was een telg uit de adellijke familie Casier. Hij werd geboren te Waregem in het kasteel aan de Stationsstraat. Na zijn huwelijk in 1939 met Marie-Anne Desclée de Maredsous nam het echtpaar zijn intrek in het kasteel van Nokere. Baron Jean werkte als technisch ingenieur in de vlasspinnerij van de familie in Gent, en werd nationaal en internationaal bekend nadat hij in 1966 voorzitter was geworden van de Koninklijke Waregemse Koersmaatschappij. Die vereniging organiseert elk jaar de Grote Steeple Chase van Vlaanderen op de eerste dinsdag na de laatste zondag van augustus. Baron Casier zorgde tijdens zijn voorzitterschap voor de opbloei van Waregem Koerse en maakte Waregem bekend als ‘paardenstad’. In 1988 kreeg hij er de titel van ereburger.

Ook in Nokere liet hij zich niet onbetuigd. Hij ondersteunde het lokale verenigingsleven, was voorzitter van de koninklijke fanfare Sint-Cecilia en stond na WOII in voor de herstart van de paardenwijding n.a.v. de Sint-Hubertusviering, tradities die door zoon Baron Philippe worden verdergezet. Baron Jean Casier overleed 8 maanden voor hij de kaap van 100 jaar zou ronden.

 

en een plek onder de zon en altijd iemand in de buurt die van me houden kon.“. Het Goede Doel zong het in 1988, René Froger maakte er vier jaar later een hit van.

Kapot huis

Nou, dat ‘eigen huis’ of zelfs maar een dak boven het hoofd tout court was 95 jaar geleden toch geen evidentie in onze Eiergemeente: “CRUYSHAUTEM. Hier gelijk elders heerscht er ook nog woningnood. Een huisgezin woonde in een ellendig hutteken, waarvan het dak nu ingevallen is. En toch moeten zij blijven inwonen bij gebrek aan een andere woning. Een inwoner, met name Thurke de Vluchteling verblijft, bij gebrek aan woning, in het gevang van het gemeentehuis of “in den bak” zeggen de menschen. Of de deugnieten en schelmen daarover tevreden zijn! De gemeenteraad was zinnens een paar barakken van het front te koopen … maar ze waren te laat!” (De Gentenaar - 15.02.1927).

Dit krantenbericht dateert van 8 jaar en 3 maanden na het einde van WOI. Het centrum van de Eiergemeente had in de oktoberdagen van 1918 beschietingen door Franse, Amerikaanse en Duitse legereenheden moeten ondergaan. Volgens pastoor-deken Jan-Alois Van Bogaert waren toen minstens 200 woningen beschadigd. Blijkbaar reageerde het Kruishoutemse gemeentebestuur te laks om voorlopige woningen die na de oorlog in de Westhoek waren opgetrokken en intussen weer viijkwamen, op te kopen om de woningschaarste alhier op te vangen. 

Na het einde van WOI stond in de frontstreek van de Westhoek amper nog een huis overeind. Het Koning Albertfonds maakte werk van de constructie van houten huizen (de zgn. K.A.F.-barakken), waarin terugkomers een eerste onderkomen konden vinden. De Belgische overheid kocht van het Britse leger ook zgn. Nissen Huts op (gebogen daken van golfplaten), genoemd naar de Canadees Peter Norman Nissen, die in 1917 deze constructie had bedacht. Toch volstond dit alles niet; in de winter van 1919-1920 waren er 25.000 tijdelijke woonplaatsen klaar voor 45.000 teruggekeerde gezinnen. Door de heropbouw kwamen in de jaren nadien houten barakken en Nissen Huts vrij te staan. Het is daarop dat de laatste zin van het artikel zinspeelt.

Zie:

  • DE BORGGRAEVE Edwin, Kruishoutem in de parochiale oorlogsverslagen van 1919, jaarboek Hultheim 2019, p.195.
  • VAN DUYSE Johan, 1919. Een jaar van (on)vrede, uitgeverij Aspekt, 2019, p. 115.

 

Hof Te Wijkhuyse

                                                                                                    foto Edwin De Borggraeve 2021

Dit hof is één der oudste boerderijen van Kruishoutem. U ziet het in al zijn historische glorie aan de Wijkhuizestraat in de buurt van ‘de Zandvleuge’ tussen de Marolle en Lozer. De nog steeds deels omwalde herenhoeve was de vroegere zetel van de heerlijkheid Wyckhuyse, het grootste en belangrijkste achterleen van de heerlijkheid Ayshove. Hof en leen zijn genoemd naar de familie Wichuus, die reeds wordt vermeld in 1400 en eigenaars bleven tot 1801. Het geslacht had trouwens meerdere eigendommen in Kruishoutem, o.a. ook het Hof de Rode Poorte. De Wichuuzen zouden naar Kruishoutem zijn gekomen als baljuws van Geraard van Schorisse, heer van Ayshove door diens huwelijk met Margaretha van Steenhuise. Het Wijckhuize leen was aan de heren van Ayshove een jaarlijkse rente verschuldigd van 40 halsteren koren, 3 vaten en een steekvat evene (soort haver), 6 ganzen, 33 kiekens, 3 pd. en 3 sch. Het leen Wijckhuize had een baljuw, 7 schepenen, 10 leenmannen en een griffier om recht te doen. Opgravingen in de omgeving brachten in 1997 middeleeuws materiaal aan het licht, waardoor de geschiedenis van de site zelfs tot de 10de eeuw zou kunnen teruggaan.

In 1801 werd het Hof te Wijckhuize in een openbare veiling te Deinze aangekocht door baron della Faille d'Huysse. In de vijftiger jaren van de vorige eeuw werd Cyriel Cackaert eigenaar van de hoeve. De familie Caeckaert verkocht ongeveer 30 jaar geleden de hoeve aan natuursteenbedrijf Brachot. De actuele eigenaar, tevens de bezieler van het museum Shoes or no shoes (vroegere galerij Veranneman), heeft het goed met zorg en smaak gerenoveerd.

Info bij:

  • CASTELAIN Rik, Wychuuse, leen van Aishove in Kruishoutem (13de-15de eeuw), jaarboek Hultheim 2008, p.45-51.
  • GOEMINNE Jozef, Bijdrage tot de geschiedenis van Kruishoutem, 1955, in ‘Bijdragen tot de geschiedenis der stad Deinze en van het land aan Leie en Schelde’, 1955, p.98-102.
  • Raoul De Bel.